Hoofdstuk 1 - Depressie

I see a red door and I want it painted black

No colours anymore, I want them to turn black

I see the girls walk by dressed in their summer clothes

I have to turn my head until my darkness goes

 

I see a line of cars and they're all painted black

With flowers and my love, both never to come back

I see people turn their heads and quickly look away

Like a newborn baby, it just happens every day

 

I look inside myself and see my heart is black

I see my red door, I must have it painted black

Maybe then I'll fade away and not have to face the facts

It's not easy facing up when your whole world is black

 

No more will my green sea go turn a deeper blue

I could not foresee this thing happening to you

If I look hard enough into the setting sun

My love will laugh with me before the morning comes

 

I see a red door and I want it painted black

No colours anymore, I want them to turn black

I see the girls walk by dressed in their summer clothes

I have to turn my head until my darkness goes

The Rolling Stones – Paint it black

 

‘Ik wil de grote kamer,’ zegt Lars beslist als we het huis verkennen. ‘Ik heb nog nooit de grootste kamer gehad, ik vind dat ik die nu mag.’

Zijn tweelingbroer Sven haalt zijn schouders op. ‘Mij best,’ bromt hij. Hij sloft wat achter ons aan en lijkt het allemaal niet echt in zich op te nemen. Met zijn handen in zijn zakken loopt hij gedwee mee met zijn broers door alle kamers, maar meer dan een snelle blik kan er niet vanaf. Ik wijs de jongens op de gekke en leuke dingen, want die zijn er genoeg.

‘Kijk hier, een inloopkast!’ We kunnen er met gemak met z’n vieren in rondkijken, er zou zelfs een logeerbed in passen.

‘Wauw,’ roept Oskar uit, ‘een Harry Potterkamer!’

‘Nee sukkel, die zit onder de trap,’ moppert Sven. ‘Deze is veel te groot.’

Oskar loopt de tweede slaapkamer in. ‘Mag ik deze?’ Hij loopt naar het raam en kijkt naar buiten. ‘Hé, ik kan hier de tuin zien! Bij papa zie ik alleen lucht door het zolderraam.’

‘Tuurlijk mag je die,’ beloof ik, en open de badkamerdeur naast zijn kamer. ‘En moet je hier kijken, een badkamer die groot genoeg is om met z’n vieren tegelijk tanden te poetsen en te douchen.

‘Ja daag, alsof ik dat ga doen waar jullie bij zijn,’ zegt Lars, terwijl hij de deur ernaast opent. ‘Kijk nou, hier zit nog een wc. Kunnen we elkaar klopsignalen geven als we allebei zitten te schijten.’ Oskar en hij beginnen te giechelen, Sven rolt met zijn ogen.

‘Is er beneden ook nog een wc?’ wil Oskar weten, en hij dendert de trap al af. Ik hoor hem wat rondlopen, tot hij roept: ‘Nee, niks! Wat een maf huis.’ 

‘Wanneer gaan we verhuizen?’ vraagt Lars.

‘Dat weet ik nog niet precies, eerst moet het internet hier aangesloten worden. En dat kan nog wel een week of twee duren.’ Ik zie huizenhoog op tegen die periode en vraag me af hoe ik die door moet komen. Met Pieter heb ik min of meer afgesproken dat ik geregeld bij hem kan komen eten tot alles hier is geregeld, maar het lijkt me zo raar om met z’n vijven aan tafel te zitten terwijl we al van alles aan het regelen zijn bij de mediator. Het helpt wel dat we geen ruzie hebben, maar of dat het nou allemaal makkelijker maakt... Geven we de kinderen zo niet een verkeerd signaal? Hopen ze niet stiekem dat het weer goed komt? Ook al zijn het al pubers en hebben we alles goed uit kunnen leggen, je weet nooit precies wat er hun hoofd omgaat.

De mededeling dat Pieter en ik uit elkaar gingen kwam als een mokerslag bij ze binnen. De laatste twee jaar leek het juist alsof we heel gelukkig met elkaar waren, al die uitjes en tripjes in een poging elkaar weer te vinden waren voor hen vast een teken dat het juist heel goed ging.

Na bijna 26 jaar samen voelt het heel raar om ons te ontstrengelen, terwijl het ook als een enorme bevrijding voelt. 

En dit tijdelijke huis is een goed begin. Ik kan het betalen, het is groot genoeg en het ligt aan de rand van het centrum aan een drukke weg, een groot contrast met het enorme huis midden in de polder. Als Pieter daar naar zijn werk was en de kinderen op school zaten, was de tractor van de buurman het enige dat ik de hele dag voorbij zag rijden vanuit mijn werkkamer. Pieter genoot van die stilte na een lange werkdag in het laboratorium, maar ik ging er langzaam dood. Tergend langzaam zelfs. Achteraf was dat misschien wel de katalysator van een heleboel dingen, de verhuizing naar Pieters droomhuis. Het leek me ook heerlijk, niets dan groen om ons heen, wuivend graan aan de achterkant en een natuurgebied aan de voorkant. De eerste twee jaar voelde het alsof we permanent op vakantie waren, maar met de jaren ging de stilte steeds zwaarder op me drukken.

Ach nee, natuurlijk was het dat niet alleen, maar dat is nu niet zo belangrijk. Langzaam maar zeker ging ik dromen van een ander leven, iets wat Pieter zich niet voor kon stellen. Twee jaar deden we erover om de knoop door te hakken, want een gezin breek je niet zomaar op. We kunnen met recht zeggen dat we het zorgvuldig hebben aangepakt, al onze opties hebben verkend en ons best hebben gedaan om een dood paard overeind te krijgen. Maar uiteindelijk blijft een dood paard precies wat het is. Dood.

En nu zit ik hier dozen uit te pakken, de Marktplaats-meubels op hun plek te zetten, de kamers van de jongens in te richten. Die van Lars mag een verfje hebben, ik koop voor alle drie een leuke poster voor aan de muur. ‘s Avonds rij ik naar Pieter en kook ik voor ons vijven alsof er niets aan de hand is. We praten over koetjes en kalfjes, over school en de meivakantie, tot de vragen loskomen. Hoe moet dat dan als ik bij jou zit en ik heb hier mijn baantje? En gaan we dan twee keer op vakantie deze zomer? Moet ik elke week mijn computer heen en weer sjouwen?

We bedenken oplossingen en geruststellingen, en ondertussen wou ik dat iemand mij kon verzekeren dat het allemaal goed komt.

 

Twee lange weken later is het eindelijk zover. De sering in mijn nieuwe achtertuin bloeit uitbundig als de jongens voor het eerst hun tas met spullen het huis insjouwen en hun fiets in het schuurtje zetten. Lars loopt direct door naar zijn grote kamer en begint zijn spullen in de kast te leggen, Oskar zet eerst zijn computer neer en gooit zijn tas in een hoek. Alleen de kamer van Sven blijft leeg. Twee dagen geleden liet hij me weten dat hij liever bij zijn vader blijft wonen, een mededeling die ik niet aan zag komen. Een reden gaf hij niet en dat hoeft ook niet, maar het houdt me wel bezig. Pieter en hij gaan al niet zo lekker samen, de puberhormonen razen momenteel door Svens lijf en Pieter kan daar bijzonder slecht tegen. Maar ik stel geen vragen, hij is tenslotte 16 en mag het zelf bepalen, ik kan niet anders dan het accepteren, al probeer ik contact te houden via de app. De stiltes die daar regelmatig vallen laat ik maar bestaan.

Lars lijkt nog het makkelijkst met alle veranderingen om te gaan, en als ik niet beter zou weten zou je denken dat er niets aan de hand is. Zo af en toe vraag ik hoe het met hem gaat, wat altijd beantwoord wordt met een opgewekt ‘Goed hoor!’ Toch hou ik ook hem in de gaten, want zijn tactiek van het probleem negeren tot het vanzelf weggaat werkt soms wonderwel, maar veel vaker niet. Ik ben er nog niet uit of het nu wel handig is om daar niets aan te doen, maar besluit hem niet helemaal leeg te lepelen en zijn eigen weg te laten zoeken. Toch vertelt hij me na een paar weken dat hij het liefst niet elke week alles inpakt en weer uitpakt, maar bij mij wil blijven wonen.

‘Bij jou is het vijf minuten fietsen naar school, bij papa drie kwartier. En ik heb ook meer met jou,’ vertrouwt hij me toe. ‘Ik ga wel in het weekend naar papa toe, maar dan hoef ik niet steeds mijn computer mee te nemen, ik vind dat zo’n gedoe.’ Kennelijk heeft hij er goed over nagedacht terwijl er aan de buitenkant niets van te merken was, maar ik ben blij dat hij er zo rust in lijkt te vinden. 

Voor Oskar zijn de eerste paar weken een ware beproeving. Niet zo gek met zijn PDD-NOS.  Dapper sjouwt hij wekelijks heen en weer met zijn spullen, tot hij op een dag verzucht:

‘Dit werkt niet, hoor. Ik word gek van elke keer alles weer veranderen. Ik wil liever bij papa blijven wonen.’ Met direct daar achteraan: ‘Maar ik kom wel heel vaak bij jou eten, want jij kookt veel lekkerder.’ Ik kan niet anders dan glimlachen. Mijn oudste kuiken met zijn moeilijke hoofd komt zelf met een goede oplossing.

En zo begint er langzaam een nieuwe routine te ontstaan, waarin ook de jongens hun plek lijken te vinden. Oskar houdt zich trouw aan zijn belofte en komt elke week een keer bij me eten en in de dagen ertussenin sturen we elkaar liedjes en grappige plaatjes via WhatsApp. Het lijkt erop dat hij zijn draai vindt in de nieuwe situatie.

Alleen Sven laat steeds minder van zich horen. Zo af en toe bel ik hem, maar dan krijg ik alleen wat somber gebrom te horen, en kapt hij het gesprek snel af. Bezorgd zoek ik contact met Pieter, die me niet bepaald gerust kan stellen.

‘Ik word een beetje gek van hem,’ moppert hij aan de telefoon. ‘Hij komt zijn bed nauwelijks uit, het is een enorme bende in zijn kamer en alles wat ik zeg wordt met gegrom en gesnauw beantwoord.’ De frustratie is duidelijk in zijn stem te horen. ‘Ik vind dat ie naar school moet, gewoon zijn ritme zo snel mogelijk weer oppakken, maar ik krijg hem niet in beweging.’ Hij vertelt dat hij Svens bed heeft afgehaald en hem opdracht heeft gegeven schone lakens op zijn bed te leggen, maar Sven vertikt het gewoon. ‘En ik ga dat niet voor hem doen, hij bekijkt het maar.’

Ik zucht, ik weet hoe rechtlijnig Pieter kan zijn, hoe goed zijn bedoeling ongetwijfeld is. Blijkbaar heeft Sven iets anders nodig dan de dagelijkse routine, de scheiding heeft er harder ingehakt dan bij zijn broers.

‘Ik denk juist dat hij ruimte nodig heeft, in plaats van een harde hand,’ opper ik. ‘Misschien helpt het om hem minder te dwingen en te laten rouwen. Het klinkt alsof hij veel verdriet heeft van de scheiding en dat hij daar nu geen weg mee weet.’ Maar Pieter houdt vol dat zijn aanpak de enige manier is om met verdriet om te gaan.

‘Hij snauwt me af, is hondsbrutaal en eten is er ook al niet bij. Ik kan gewoon niks goed bij hem doen, ik mag niet eens zijn kamer in.’ Pieter klinkt fel en vastberaden. ‘Hij heeft niks te willen, hij moet naar school en niet ‘s nachts aan zijn PC zitten.’

 

Op afstand kan ik er weinig aan doen, behalve in contact blijven met Sven. Als er na een paar weken nog niets veranderd is, ga ik met Pieters toestemming op een middag naar hem toe. Ik heb Sven dan al een paar weken niet gezien en schrik als hij de deur opendoet. Wat is hij mager geworden... Een doffe blik in zijn ogen, kleren die al heel lang niet gewassen zijn, haar dat wild alle kanten op staat.

‘Oh’, zegt hij, als hij ziet dat ik het ben, en loopt weer naar boven. Ik volg hem, ga naast hem zitten op de rand van zijn bed en sla mijn arm om hem heen. Pieter had niet gelogen toen hij zei dat het een enorme bende is. Overal kleding, lege flessen, gebruikt servies. Het ruikt er muf, of eigenlijk moet ik gewoon constateren dat het er stinkt. Niet bepaald een omgeving waar je energie van krijgt.

Sven zit intussen met zijn hoofd in zijn handen en zegt zachtjes:

‘Ik weet het ook niet. Het interesseert me allemaal ook helemaal niks meer.’

Onder zijn T-shirt voel ik de botten haast door zijn vel prikken als ik hem wat dichter tegen me aan trek.

‘Het is ook ingewikkeld,’ antwoord ik en leg zijn hoofd tegen me aan. ‘Alles is ineens veranderd, en je kunt er niets aan doen.’ Zachtjes voeg ik eraan toen: ‘Als het anders had gekund, hadden we dat absoluut gedaan, maar dat ging echt niet. Ik snap heel goed dat je er zo’n verdriet van hebt, maar het is wel belangrijk dat je een beetje voor jezelf blijft zorgen.’

Sven haalt zijn schouders op, dat is duidelijk te veel gevraagd.

‘Weet je wat,’ zeg ik, ‘jij gaat onder de douche, dan ruimen we het daarna hier een beetje op. Je voelt je vast wat beter als het hier schoon en fris is.’

Gehoorzaam sjokt Sven naar de badkamer, ik schuif de gordijnen opzij en zet het raam open voor wat zachte zomerlucht. Na een kwartiertje is de vloer opgeruimd en zijn bed weer fris. Het voelt goed dat ik een beetje voor hem kan zorgen.

‘Dat hoef je niet te doen,’ zegt hij, als hij zijn kamer weer binnenloopt, maar ik zie dat hij het ook fijn vindt. We praten nog wat, al heb ik niet de indruk dat het veel impact gaat hebben.

‘Hou je haaks knul,’ zeg ik bij het afscheid.

Hij knikt. ‘Komt goed.’

Weer thuis pak ik de telefoon en bel ik met Pieter, want hier is duidelijk meer aan de hand dan een onwillige puber.

‘Ik denk dat hij depressief is,’ zeg ik. ‘En als dat zo is, dan komt hij daar zelf niet uit. Ik zou hem naar de huisarts sturen, als ik jou was.’ Het klinkt heftig als ik het zo uitspreek, maar als ik alles bij elkaar optel is dit de enige conclusie. Niet eten, veel slapen, ‘s nachts actief en overdag niet overeind te krijgen, het kan bijna niet anders. Behalve bezorgd voel ik me ook ongelooflijk schuldig. Hoe zorgvuldig we ook zijn geweest toen we besloten uit elkaar te gaan, de impact van de scheiding hebben we blijkbaar enorm onderschat. En opnieuw vraag ik me af waarom Sven zo halsstarrig blijft volhouden dat hij bij zijn vader wil blijven, ook al botsen zijn vader en hij continu.

Pieter is het niet met me eens.

‘Ach welnee, hij stelt zich gewoon aan. Als hij nou maar zijn best zou doen en naar school zou gaan, komt het vanzelf weer goed. Het is gewoon een koppige puber, meer niet.’

Ik kan niet anders dan het opgeven, in elk geval voorlopig. Twee enorme stijfkoppen, er is geen doorkomen aan.

 

Die avond zit ik een beetje doelloos te zappen, niet in staat om mijn gedachten bij een programma te houden, als mijn oog op een fotoalbum in de boekenkast valt. Ik zet de televisie uit en neem het album op schoot. Al bij de eerste bladzijde verschijnt er een glimlach om mijn lippen. Drie peutertjes in drie kinderstoelen, Oskar die al wat behendiger is met zijn lepel en twee toetjes waar de vla aan alle kanten eraf loopt. Of die foto van de eettafel vol vellen papier en waterverf, Oskar die met zijn tong uit zijn mond een tekening van een auto in probeert te kleuren, Lars en Sven die vooral elkaar een kleurtje geven.

Natuurlijk was het een drukke tijd, maar de pret spat eraf. Sven was verreweg de makkelijkste, zo’n kind waarvan je zegt: die is zo goed gelukt.

‘Met die ogen gaat hij nog heel wat harten breken,’ zei mijn moeder, want hij wist me al snel om zijn vinger te winden met zijn enorme blauwe kijkers. Waar er bij Lars vaak ondeugende pretlichtjes in dansten, had Sven een eindeloze charme in zijn blik. Tussen zijn oudste broer met autisme en zijn tweelingbroer met ADHD, zoals later zou blijken, was hij mijn oase van rust, een kind dat vanzelf door het leven leek te rollen. Een populaire leerling op school die vrienden maakte met zijn humor en gulheid, kortom: een zorgeloze jeugd in een klein dorp vol leeftijdgenoten.

Voor ik het album sluit zie ik een foto van Sven als keeper. Een enorme grijns op zijn gezicht, terwijl hij de kampioenstrofee hoog in de lucht houdt. De held die de beslissende penalty had gestopt zit op de schouders van zijn teamgenoten met Lars er breed lachend naast. Ik zie ze nog joelend door het dorp gaan achterop de platte kar, waarna het feest werd voortgezet in de cafetaria met friet en kroketten. Heerlijk om ze zo uitgelaten te zien.

 

Een paar dagen later moet Pieter twee weken op reis voor zijn werk, wat betekent dat Sven en Oskar alleen thuisblijven. Over Oskar maak ik me niet zoveel zorgen, die heeft zich snel genesteld in de nieuwe situatie nu hij weer terug is op zijn eigen vertrouwde plek. Maar Sven… die zou zich compleet verwaarlozen, en ik vind het niet Oskars taak om voor zijn broer te zorgen. Als ik Sven opper om die twee weken bij mij te komen, is hij echter onvermurwbaar:

‘Ik wil niet bij jou, ik vind het een kuthuis.’

Het maakt niet uit wat ik ertegenin breng, zijn antwoord blijft hetzelfde. Ergens denk ik dat dit zijn verzet is tegen de situatie. Zolang hij het huis niet uitgaat, blijft er zoveel mogelijk bij het oude. Maar ik zie niet hoe dit goed kan gaan, nu hij al zoveel is afgevallen en geen enkele stap voorwaarts lijkt te zetten.

‘Dan kom je ’s avonds bij mij eten,’ zeg ik beslist.

Met een zucht gaat hij akkoord.

De eerste avond na Pieters vertrek haal ik Sven en Oskar op en zitten we ‘s avonds met z’n vieren aan tafel. Ik heb Svens lievelingskostje gemaakt, risotto met doperwtjes en garnalen, maar er gaan hooguit twee happen naar binnen. Na het eten zakt hij onderuit op de bank en binnen een kwartiertje is hij onder zeil.

Lars en ik kijken elkaar aan. In zijn ogen zie ik wat ik denk: dit kan zo niet langer. De woorden komen uit mijn mond voor ik het besluit in mijn hoofd heb genomen.

‘Jij blijft hier,’ zeg ik. ‘Ik ga zijn spullen halen, ik laat hem niet teruggaan.’ Lars knikt opgelucht. Ik roep Oskar, hij gaat mee om me te helpen.

Afbeelding1.jpg
Illustratie: Merel Barends

De gemiddelde depressie duurt acht maanden. Bovendien is 40% van de mensen die depressief waren dat binnen twee jaar weer.

Er is sprake van een depressie wanneer je vijf van de onderstaande symptomen hebt. Deze symptomen moeten tenminste twee weken aanwezig zijn en een van de eerste twee symptomen moet aanwezig zijn.

1. Je voelt je somber;

2. Je beleeft geen plezier aan dingen waar je eerder wel plezier aan beleefde en je hebt geen zin om dingen te ondernemen;

3. Je eet weinig of juist veel, en valt daardoor af of komt juist aan;

4. Je slaapt veel of juist weinig;

5. Je bent rusteloos of juist niet in beweging te krijgen;

6. Je bent moe, en hebt geen energie;

7. Je hebt concentratieproblemen en bent besluiteloos;

8. Je voelt je schuldig of waardeloos;

9. Je hebt zelfmoordgedachten of denkt veelvuldig aan de dood.

Bron: 113.nl

‘Volgens mij is hij depressief,’ heb ik tegen Pieter gezegd. Nu Sven naar mij is verhuisd, weet ik het wel zeker, want dit lijstje kan ik helemaal afvinken, de online test hoef ik er niet eens voor in te vullen. Maar de grote vraag is: wat nu?

Sven slaapt een paar dagen bijna het klokje rond en komt dan weer tot leven.

‘Volgens mij heb je het idee dat ik hier blijf wonen of zo,’ moppert hij als hij ziet dat al zijn spullen zijn verhuisd.

‘Voorlopig wel,’ antwoord ik stellig, ‘in elk geval tot het beter met je gaat.’

‘Dacht het niet,’ is zijn onmiddellijke reactie. ‘Als papa thuis is, ga ik weer terug. Ik blijf hier echt niet wonen.’

En in de twee weken erna doet mijn koppige puber verschrikkelijk zijn best om regelmatig te eten en naar school te gaan, pakt zijn spullen en verhuist weer terug. Daarna lijkt het een poosje goed te gaan, in het nieuwe schooljaar maakt hij zowaar een vliegende start. De eerste paar weken fietst hij zo goed als elke dag de 17 kilometer van Pieters huis naar school en mist hij vrijwel geen les. Af en toe komt hij na afloop bij mij wat drinken voor hij verder fietst. Voorzichtig begin ik te hopen dat hij er zich doorheen begint te slaan.

Tot hij op een dag in oktober bij mij thuis op de bank zijn gezicht in zijn handen legt en onbedaarlijk begint te huilen.

‘Ik kan het niet.’

Verschrikt ga ik naast hem zitten en sla een arm om hem heen. Schokschouderend komt alles eruit.

‘Ik haat het, ik haat het, ik haat het. Ik haat het dat papa’s vriendin bij ons thuiskomt, dat hij dan wil dat ik weg ben. Ik haat het dat je hier woont, ik haat dit huis. Ik haat school, ik kan het niet, ik kan mijn hoofd er niet bij houden. Ik haat papa, ik haat mijn leven.’

Ik sla mijn armen om mijn grote kleine puber heen en laat hem lang en hevig huilen. Met mijn vingers woel ik door zijn haar en ik druk een zoen op zijn krullen. Mijn trui wordt nat van zijn en mijn tranen. Dan haal ik diep adem en neem een besluit.

‘Je blijft nu hier, of je het wil of niet. Je hebt rust nodig. Ik ga vanavond je spullen halen en ik wil geen tegenspraak.’

Sven knikt. ‘Best,’ zegt hij snikkend. ‘Ik wil papa toch nooit meer zien.’ Hij laat zich als een mak lam naar boven leiden en in bed stoppen. Weer beneden stuur ik een berichtje aan Pieter die ergens in Zwitserland zit, dat ik Sven naar mij toe verhuis. Omdat ik thuis werk, lijkt het me beter dat hij voorlopig bij mij blijft zodat ik hem in de gaten kan houden. Pieter is het met me eens, hij had al langer het gevoel dat hij de grip op Sven had verloren.

‘Misschien krijg jij hem wel in beweging,’ schrijft hij.

Maar daar lijkt het totaal niet op, want Sven duikt volledig onder in zijn depressie. Hij eet nauwelijks wat en ligt voornamelijk in bed. De schaarse keren dat hij wel overeind is, schuifelt hij wat rond in huis om uiteindelijk zuchtend op de bank te hangen voor hij weer naar zijn bed vertrekt. Na een paar weken begint hij weer wat actief te worden, maar wel op heel onhandige uren. Dan komt hij pas ergens in de middag zijn bed uit en kruipt tot in de vroege uurtjes achter de computer om met vrienden te gamen. Dat gaat er nogal luidruchtig aan toe, waar ik hem regelmatig op aanspreek. Zonder resultaat overigens, al belooft hij geregeld beterschap.

‘Het gaat juist hartstikke goed mam,’ bezweert hij me. ‘Ik heb met vrienden een YouTube-kanaal opgezet, we krijgen steeds meer abonnees. Als het zo goed blijft gaan, kan ik er straks ook aan verdienen.’

‘O ja?’ wil ik weten, ‘hoe werkt dat dan?’

En voor ik het weet krijg ik een uitgebreide cursus YouTube en advertenties, uitleg wat content is en hoe belangrijk het is om regelmatig wat te uploaden om je fanbase tevreden te houden. Of zoiets.

‘Heel leuk, maar het is ook best belangrijk om je moeder tevreden te houden,’ zeg ik. ‘Bovendien hebben we ook nog buren, en ik wil geen klachten. Je houdt mij en Lars uit onze slaap, dus je zorgt maar dat je om 22.00 uur stil bent.’

‘Is goed mam!’

Maar natuurlijk werkt het niet zo simpel. De deadline wordt continu vakkundig verlegd.

‘Jim woont in de VS, dus dan moet ik wel laat inloggen.’

‘We zijn bezig met een nieuw project, dat moet echt op tijd af.’

‘Als dit een hit wordt, zitten we zo boven de 20.000 abonnees, en dan kunnen we gaan adverteren.’

En ik, ik laat me omver lullen. Moe van het slaapgebrek en de zorgen, maar ook omdat ik hem zijn plezier gun de rest van zijn uren somber en leeg zijn. Toch koop ik een tijdschakelaar voor het modem als het weer te gortig wordt, wat hij natuurlijk binnen de kortste keren weet uit te schakelen.

En dan heb ik het nog niet over zijn nachtelijke wandelingen. Als ik de eerste keer om een uur of twee de voordeur dicht hoor gaan, zit ik direct rechtovereind in bed. Wat was dat? Kwam er iemand thuis of ging er iemand weg? Zachtjes ga ik de trap af, met gespitste oren, maar ik hoor alleen Lars snurken. De deur van Svens kamer staat open, het licht van zijn beeldscherm werpt een zwakke baan in de gang. Sven zelf is nergens te bekennen, ook beneden is het doodstil. Kennelijk is hij naar buiten gegaan, maar waarheen en waarom... geen idee. En ik heb al helemaal geen idee wat ik nu moet doen. Moet ik hem achterna gaan? Wat als hij naar het spoor loopt? Moet ik de politie bellen? Mijn depressieve zoon die in zijn eentje door de stad dwaalt, gaat dat wel goed? Maar omdat ik geen idee heb waar ik hem zou moeten zoeken, kan ik niet anders dan wachten tot de deur weer in het slot valt.

‘Ja, soms als ik niet kan slapen, dan helpt het om buiten rond te lopen,’ zegt hij als ik ernaar vraag. ‘Dan is alles zo rustig en stil, dan komt mijn hoofd ook tot rust.’

Ergens durf ik niet te vragen of hij tijdens zo’n wandeling soms het idee krijgt om naar het spoor te lopen of een viaduct op te zoeken, bang dat hij ja zegt. Dus laat ik het hierbij, tot nu toe komt hij elke keer gewoon weer terug naar huis.

‘s Morgens probeer ik hem uit bed te krijgen, maar dat is een gebed zonder einde.

‘Kom eens overeind,’ begin ik. ‘Kom op, ga zitten. Goed zo. En nu je benen over de rand. Toe dan, je kunt het. Tijd om op te staan, terug in het ritme komen. Nee, niet weer gaan liggen, overeind blijven.’ Maar wat ik ook doe, hij valt gewoon weer terug in bed en slaapt bijna onmiddellijk weer, tot ver in de middag. Via de huisarts krijgt hij valeriaanpillen om te proberen zijn ritme weer op orde te krijgen, maar met zijn eigenwijze hoofd slikt hij ze veel te onregelmatig. En dus helpen ze geen zier.

Mijn slaaptekort loopt inmiddels zwaar uit de hand. De korte nachten, het gepieker, de pogingen hem overeind te krijgen... Het sloopt me. Bovendien lijdt mijn werk er flink onder, niet alleen omdat ik mijn aandacht er niet echt lekker bij kan houden, maar ook doordat ik deadlines dreig te missen.  Dus moet ik ‘s avonds weer langer doorwerken om alles in te halen, of snel even wat doen als Sven in bed ligt. Het levert me constant het gevoel op dat ik achter de feiten aanhol, het ‘to do’-lijstje in mijn hoofd wordt met het uur langer en warriger.

Voor Sven weet ik intussen dat therapie een oplossing kan zijn, het liefst in combinatie met medicijnen. Maar zodra ik daarover begin, is Sven heel beslist.

‘Ik ga echt niet op een stoel zitten en met iemand praten. Ik kan dit zelf wel.’

‘Nou, dat is tot nu toe niet erg gelukt,’ werp ik tegen. ‘Wees eerlijk, hoe goed vind jij dat het gaat?’

Sven haalt zijn schouders op en zwijgt.

‘Lieverd, ik snap wel waar je mee zit. Bij papa voel je je thuis, maar niet welkom. En hier voel je je wel welkom, maar niet thuis.’

Hij knikt. ‘Ja, dat klopt.’ Een diepe zucht. ‘Ik wil van dit rotgevoel af, mijn hoofd zit zo vol. Ik weet niet meer wat ik moet doen.’

‘Ik wel.’ Ik vertel over een therapievorm die ik op internet heb gevonden. Een combinatie van sport en praten.

‘Nee, dat praten kun je vergeten.’

‘Het is ook niet alleen praten, je gaat in een gymzaal sporten en dat wordt gecombineerd met therapie.’

Het woord ‘sporten’ is het toverwoord, zijn belangstelling is gewekt.

‘We kunnen in elk geval een keer gaan kijken, toch?’ opper ik.

Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat hij knikt.

‘Oké.’

Wil je het hele verhaal lezen? Klik dan hier om jouw exemplaar te reserveren